|
DE HAUSA LOOIERS VAN NOORD - NIGERIA
Malcolm J. Lamb
Click here for a map
Nigeria heeft een bevolking van ongeveer 85 miljoen en bestaat uit twee
afzonderlijke regio’s, het Noorden en het Zuiden, die beide een fascinerende
geschiedenis hebben. De zuidelijke kuststrook kreeg commercieel belang in de
voetstappen van de vroeg 15e en 16e eeuwse ontdekkingsreizigers.
Gedurende de 100 jaar die volgden op de afschaffing van de slavenhandel door
de Britten in 1807, groeide de Britse invloed en dit leidde tot de stichting van
een Protectoraat in 1912. Het land werd onafhankelijk in 1960. In deze studie
zullen we ons concentreren op het noordelijk deel, waar zich de looinijverheid
bevindt. Er is veel bekend over de geschiedenis van de Noordelijke staten, maar
het gebied dat wij zullen bestuderen, heeft niet altijd de naam Nigeria gedragen
en de grenzen ervan vielen lang niet altijd samen met de politieke grenzen van
het huidige Nigeria. Hausaland bevindt zich in de strook savanne die zich uit-
strekt van de Atlantische Oceaan tot de Rode Zee. Deze strook wordt begrensd
door woestijn in het noorden en regenwouden in het zuiden. De gangbare
benaming van dit gebied is Sudan, naar het Arabische Beled as – Sudan
Het land van de zwarte man.
Het zacht golvende platteland is maar dun bebost en de hoger liggende plateaus
zijn nog steeds ongecultiveerde wildernis. Naar Europese normen is dit gebied
dun bevolkt en de bevolking leeft verspreid in kleine Hausa – groepjes, die
grotendeels in hun eigen onderhoud voorzien.
Geografisch gesproken bevindt Hausaland zich op een kruispunt van verschil-
lende etnische groepen – de plaatselijke bevolking uit het Zuiden en de
Hamitische stammen uit Noord – Afrika. Aangezien het regenseizoen zich maar
uitstrekt van juni tot september, heeft de bevolking die hoofdzakelijk uit land-
bouwers bestaat, tijd genoeg om ambachten te ontwikkelen en, tot vrij recente
datum, om oorlog te voeren. In het regenseizoen eist de landbouw de aandacht
van het volledige gezin op. Reizen in deze periode is erg moeilijk, in tegenstel-
ling tot in het droogseizoen wanneer de rivieren opdrogen en communicatie
makkelijker wordt. Tot voor kort waren de wegen van erg slechte kwaliteit en
ezels en kamelen waren dan ook een populair transportmiddel.
De taal die gesproken wordt in dit gebied is Hausa, een van de meest verspreide
talen van Afrika. De legendes die de oorsprong van het Hausa volk zou verkla-
ren, verhalen over het huwelijk van Prins Abuyazidu uit Bagdad met de koningin
van Daura, nadat de eerste een reuzenslang had gedood die de enige bron van
de stad versperde en de inwoners van de stad terroriseerde. De 7 kinderen die
voortkwamen uit dit huwelijk zouden de stichters geweest zijn van de Hausa –
staten.
Deze fabel gaat waarschijnlijk terug op de versmelting van Arabische en Ber-
berse bevolkingsgroepen tussen 500 na Chr. en 1400 na Chr.
De meeste steden waren ommuurd en er werden heel wat oorlogen gevoerd
tussen de steden onderling. Rond 1350 – 80 na Chr.werd de islam geďntrodu-
ceerd in de Sokoto regio via wat nu Mali noemt. Dit gebied wordt tot op
vandaag nog beschouwd als het spirituele en culturele hart van Noord – Nigeria.
De komst van de islam moedigde de handel aan in de regio, nieuwe routes voor
kameelkaravanen werden ontwikkeld en Kano groeide uit tot het belangrijkste
handelscentrum van het land.
Door een gebrek aan geschreven bronnen is het moeilijk om uit te maken wan-
neer de ambachten precies ontstonden. Papier vergaat immers erg snel in een
tropisch klimaat, vaak zelfs binnen 50 jaar. Witte mieren zijn ook dol op papier
en het heeft dan ook tot de jaren ’50 geduurd voor de inlanders die in afgelegen
gebieden wonen, konden overtuigd worden om papiergeld te aanvaarden.
De Kano Kroniek, die de Kano geschiedenis beschrijft van ongeveer 1000 na
Chr. tot de vroege 19e eeuw is de oudste nog bestaande drager.
Alhoewel Egyptenaren en Romeinen al vroeg handelsrelaties aanknoopten met
dit gebied, zou het nog wachten zijn op Leo Africanus, een Moor die
" De Geschiedenis van West – Afrika „ ( vertaald door John Pory in 1600 )
geschreven heeft, alvorens Europa zich bewust werd van de handel en cultuur
van dit gebied. Alhoewel gedeeltes van dit werk later onder vuur kwamen te
liggen ( Leo Africanus gaf bvb. een foute beschrijving van de stroming van de
Niger ), was dit werk toch een grote verwezenlijking met zijn gedetailleerde
beschrijvingen van het land en zijn bevolking, van veestapels en van de erg geva-
rieerde activiteiten van de toen al welgestelde Hausa handelaars en ambachtslui.
Er bestaat geen enkele twijfel over dat de levensstandaard en het cultureel peil
toen al vrij hoog was. Dit werd later bevestigd in het briljante werk van de
Duitse ontdekkingsreiziger Heinrich Barth, die Britse financiers had. Terwijl de
meeste van zijn dappere tijdgenoten niet veel meer deden dan de mythe van
„ Het Graf van de Witte Man " bevestigen, reisde hij het hele gebied door in de
periode 1851 – 1854. Hij gaf accurate beschrijvingen van zaken die vaak ook
vandaag nog bestaan, bvb. de met modder ommuurde steden waarin huizen met
platte daken in Nubisch – Noord – Afrikaanse stijl staan; het gebruik van
shadoofs in het droogseizoen, etc.
Graan ( guinea corn ), gierst en rijst waren de belangrijkste teelten, aangevuld
met aardnoten, uien, bonen, zoete aardappelen en suikerbiet. Katoen en indigo
waren de belangrijkste nijverheidsgoederen. Ambachten zoals pottenbakken,
spinnen, weven en verven werden al door Barth opgetekend, maar worden ook
vandaag de dag nog beoefend. Smeden gebruikten goud, zilver, koper en ijzer.
Vooral het laatste was belangrijk bij het vervaardigen van werktuigen en wapens.
In Bida, een klein stadje 375 km ten zuiden van Sokoto, vestigden zich een groep
glasblazers. De verklaring voor de bloei van dit ambacht op die plaats moet waar-
schijnlijk gezocht worden in de aanwezigheid van zand op die plaats. Volgens de
plaatselijke legendes zou de oorsprong echter in het oude Egypte te vinden zijn.
Looiers en lederbewerkers kwamen voor in vrijwel elke gemeenschap, maar
algemeen kan gesteld worden dat de kwaliteit van onbewerkt Nigeriaans geiten-
leer altijd het best geweest is in Sokoto; naar het oosten toe vermindert de
kwaliteit. De kleur varieert van donker rood in Sokoto over lichter rood in Kano
naar wit – zwart en wit in Maidugari. Sokoto heeft behalve het fijnste leder, ook
altijd de beste ijzerwaren uit de regio geproduceerd, beide worden reeds sedert
de Middeleeuwen in Europa gebruikt.
Door een gebrek aan geschreven bronnen is het moeilijk om banden aan te tonen
tussen het oude Egypte en het huidige Kano en Sokoto, maar toch is het niet
helemaal uitgesloten als de grotschilderingen uit Birnin Kudu ( nabij Kano ) op
een of andere manier kunnen gelinkt worden aan andere oude inscripties die
gevonden werden in de bergachtige gebieden van de Centrale Sahara. In mijn
pogingen om de oorsprong van de Sokoto ledernijverheid te achterhalen, ben ik
uitgegaan van een aantal speculaties om mijn overtuiging te bevestigen dat er
inderdaad overeenkomsten zijn tussen de looimethodes gebruikt door de oude
Egyptenaren en die gebruikt door de bewoners van Hausaland, al dan niet indi-
rect via Noord – Afrika of Arabië. Ten tijde van de trans – Sahara kameel-
karavanen werden fezzen en gebedsmatjes geruild voor leer, maar de leernijver-
heid kwam vermoedelijk al veel vroeger tot bloei. De handel nam toe toen de
handelskaravanen andere routes gingen volgen en de Atlantische Oceaan – route
in gebruik genomen werd rond 1900. Vandaag de dag heeft de handel zich weer
verlegd met het trans – Sahara luchtverkeer. De transporttijd werd eerst inge-
kort van 6 maand naar 3 en later zelfs tot 6 uur voor de afstand Kano – Gatwick.
De werkwijze bleef gedurende de hele periode min of meer dezelfde en werd
doorgegeven van geslacht op geslacht. De looiers zijn betrekkelijk kleine boeren
en kweken en slachten hun geiten zelf. In Sokoto – City hebben enkele grotere
looiers zich verenigd in coöperaties, maar hun leder is niet van dezelfde kwaliteit
als dat van de kleinere looiers in de omliggende gebieden.
Looiers uit Kano hebben nooit kunnen tippen aan de kwaliteit die men bereikt
in Sokoto, zelfs niet als de huiden zelf uit Sokoto worden overgebracht.
Ik heb geprobeerd om een commerciële variant van het Sokoto leer te produ-
ceren, maar ondanks het gebruik van de modernste technologieën, ben ik er
niet in geslaagd. In wat nu volgt zal ik de traditionele technieken van de inlan-
ders beschrijven, die noch machines, noch door mensen gemaakte chemicaliën
gebruiken.
De zorgvuldig gevilde huid wordt in bronwater gewassen om bloed en uit-
werpselen te verwijderen, vervolgens wordt hij ondergedompeld in een grote
handgebakken pot met een oplossing in die taka genoemd wordt, een sterk
alkalische oplossing die gewonnen wordt uit de as van bepaalde houtsoorten.
Dit proces is vergelijkbaar met het kalkproces in Europa en de huid is dan ook
vrij vlug gehydroliseerd en wordt erg zwaar. Gelijktijdig hiermee worden het
haar en andere keratineachtige proteďnen die niet in het looiproces van pas
komen, afgebroken door deze vloeistof, die aangelengd wordt met een kleine
hoeveelheid gebruikt kookvocht. De looier gebruikt dit om de nieuwe oplos-
sing wat aan te scherpen. De hoeveelheid gebruikt vocht dat toegevoegd wordt,
varieert en ook de onderdompeltijd durft nogal eens verschillen. Bekwame
looiers kunnen die tijd vrij nauwkeurig inschatten, afhankelijk van de tijd van
het jaar ( nl. warm of koud seizoen ), zodat het haar kan verwijderd worden
zonder dat de vezels hun sterkte verliezen en zonder dat de nervatuur bescha-
digd wordt. De onderdompelperiode varieert van anderhalve tot vijf dagen.
Op het geschikte ogenblik worden de huiden uit de oplossing gehaald, afge-
spoeld en onthaard met een oude houten vijzel die gewoonlijk gebruikt wordt
om graan mee te malen. Gedurende dit proces wordt de huid opgespannen
over de knieën. Een gekromd mes met twee handvaten en een erg botte snede,
wordt gebruikt om het geloste haar en de haarwortels te verwijderen.
Ontkalken
De onthaarde huid wordt zorgvuldig gewassen en op dezelfde manier als daar-
net, maar deze keer met een scherp mes, wordt de vleeszijde schoongeschraapt.
De huid wordt daarna opnieuw gewassen en in een vloeistof gebracht die bereid
wordt uit een plant, koloko, die in moerasachtige omgevingen groeit.
Dit levert een licht zure oplossing op die kleine concentraties van een proteo-
lytisch enzym, papaďne, bevat. Zodra de alkalische huid in contact komt met
deze licht – zure oplossing, verliest het zijn plompe rubberachtige kwaliteit.
Wanneer de huid volledig geneutraliseerd en soepel is, wordt hij onderge-
dompeld in een oplossing die uitwerpselen van duiven bevat. Dit proces wordt
" bating " genoemd. In dit proces worden de proteďnen die het verleringsproces
tegenhouden, bvb. elastine, verwijderd door de werking van de proteolytische
enzymen. Als ze in het leder zouden blijven zitten, zou het hard en minder
flexibel worden.
De looiers moeten dit proces nauwlettend gadeslaan, vooral bij warm weer,
omdat de bacteriologische werking van deze oplossing snel uit de hand kan
lopen en de huid volledig kan ruďneren.
Op het gepaste ogenblik wassen de looiers de huiden af. Ze testen dit door de
huid uit te wringen; als de huid voldoende " gebated " is, wordt de nervatuur
aan de huidzijde waterdoorlaatbaar. De " bate " wordt dan gesteriliseerd door
ze onder te dompelen in oude looivloeistof. De propere, zuiverwitte huid is nu
klaar om gelooid te worden.
Het looiproces
De plaatselijke naam voor het looimateriaal is bagaruwa, botanische benaming
acacia arabica of acacia nilotica. Andere namen zijn garad (Indië), gabda en sunt
(Soedan). Het zijn de peulen van de boom, die overvloedig voorkomt in die
streken, die gebruikt worden in het looiproces. De boom, van de Afrikaanse
acaciafamilie, draagt kleine gele bloesems, die op lupine peulen lijken, maar
dan groter (tot 15 cm). De peulen worden geoogst wanneer ze gedroogd zijn
(okt. tot jan.). De gedroogde peulen worden met vijzel en stamper vermalen
(gewoonlijk door vrouwen) en de harde zwarte zaden worden uit het restafval
gezift. Het poeder dat zo ontstaat, wordt gebruikt om een oplossing mee te
bereiden. Deze vloeistof is erg mild en het leer dat hiermee bewerkt wordt, is
kleurvaster dan dat, dat bewerkt wordt met een oplossing van bvb. mimosa,
quebrancho, kastanje, etc. De peulen worden door plaatselijke medicijn-
mannen ook gebruikt als middel tegen dysenterie.
Het looien
De huiden worden in handgebakken potten, zoals gebruikt op wasdagen, in de
looivloeistof gedrenkt. Van tijd tot tijd wordt er nog wat bagaruwa poeder aan
toegevoegd. Elk uur worden de huiden gedurende een tiental minuten bewerkt
en ze blijven de hele nacht in de oplossing weken. Na een nachtje weken in de
versterkte looioplossing is de nervatuur van het leder in zijn welbekend patroon
getrokken. Op de derde dag wordt er een nieuwe vloeistof aangemaakt en de
huiden worden nu voortdurend bewerkt. De huiden worden steeds lichter en
zuiverder. Als de huiden nu over een aantal cm zouden ingesneden worden aan
de schenkels of aan het dikste stuk (nl. de nek), dan zou blijken dat de huid vol-
ledig doordrenkt is. Als dat niet zo is, wordt de behandeling voortgezet tot deze
fase bereikt is. Bij deze test wordt geen leer verspild.
Naar de avond toe, wanneer de grootste hitte weg is, wordt het leer uit de
potten gehaald, voorzichtig afgewassen in zuiver water en al het overtollig water
wordt eruit geknepen. De huiden worden aan de nervatuurzijde met de hand
ingeolied met aardnootolie. Die olie wordt door de vrouwen van het dorp
gewonnen uit lokale productie die tot een pasta vermorzeld wordt met een
steen. De heldere olie die hierbij vrijkomt wordt in een pot gegoten. Na het
oliën worden de huiden nerfzijde tegen nerfzijde op elkaar gestapeld op biezen
matten in de schaduw van een boom. Nadat de huiden op deze manier een
tweetal uur gelegen hebben, is de olie gedeeltelijk geabsorbeerd. Vervolgens
wordt het leer op een soort waslijnen gehangen om te drogen.
De volgende dag worden de huiden afgewerkt in een verse bagaruwa oplossing,
worden ze opnieuw zorgvuldig gewassen en na het verwijderen van overtollig
water, worden ze weer te drogen gehangen. Tijdens de afwerking worden alle
looi – en olievlekken weggewerkt en het is in deze fase dat het leer zijn licht
geel – bruine tint krijgt. Oneerlijke handelaars durven de huiden tijdens het
oliën verzwaren. Tijdens het droogproces worden de huiden voortdurend
gedraaid om ze overal even snel te laten drogen en ook om sporen van touwen
e.d. te vermijden.
Wanneer de huiden bijna droog en egaal van kleur zijn, worden ze op tenminste
6 plaatsen aan palen gebonden. De huid wordt aan zijn uiteinden over een hou-
ten staak getrokken om het leder soepeler te maken. Op deze manier worden de
vezels die aan elkaar zijn gaan plakken tijdens het droogproces opnieuw soepel
gemaakt. Tijdens dit proces wordt de olie gelijkmatig over de huid en de vezels
verdeeld zodat het leder soepel wordt. De huiden worden in zessen gevouwen
en op een bepaald soort steen geklopt.
De vouwen worden van tijd tot tijd wel veranderd zodat uiteindelijk de volle-
dige huid op gelijkmatige wijze bewerkt is. Nadat ze op deze manier bewerkt
zijn, zijn ze klaar om verkocht te worden. De meeste huiden worden in deze
toestand verkocht, maar de fijnste worden geselecteerd om te kleuren. Ook de
huiden van lage kwaliteit die niet geschikt zijn voor export worden geverfd in
verschillende tinten rood, groen, geel en blauw om ze door te verkopen aan
nomaden die in de woestijn leven ( i.e. Buzu en Absinawa stammen) en die
leer gebruiken om amuletten en relikwieën te bekleden. Huiden die niet
geschikt zijn voor export worden in hun natuurlijke staat verkocht aan Fulani
herders die ze verwerken tot kledij.
Het kleuren gebeurt meestal nog op traditionele wijze bvb. met roodpigment
gewonnen uit de dawa maďsplant en blauw – zwart pigment van de baba (indigo)
plant die in die streken groeit. Sommige looiers gebruiken ook wel aniline pig-
menten die goedkoop zijn en eenvoudig om te verwerken.
De geiten mogen vrij rondlopen in de periodes dat het land niet bebouwd is
(van november – december tot begin juni). Het dier wordt geslacht op een leef-
tijd van anderhalf tot twee jaar (het aantal slachtingen neemt toe rond islami-
tische feesten en bij trouw – en doopceremonies) op voorwaarde dat de huid
niet al te zeer beschadigd is door de doornstruiken die veelvuldig voorkomen in
dit gebied. Om schade aan de oogst te voorkomen worden de geiten tijdens het
regenseizoen in stallen gehouden. Gedurende deze periode zijn de dieren erg
vatbaar voor de zogenaamde " regenseizoen dematitis ".Ziektes in het algemeen
kunnen het fysisch voorkomen en de kwaliteit van het leer aantasten, waardoor
het onbruikbaar wordt in de boekbindersbranche. De beste huiden komen van
kleine, jonge dieren. Globaal gesproken kan men zeggen dat slechts 3 of 4% van
de totale productie in aanmerking komt voor boekbindersleder. Komt daar nog
bij dat men het leer van mannelijke geiten verkiest boven dat van vrouwelijke.
Omdat vrouwelijke geiten ook gebruikt worden om te fokken, wordt hun huid
vaak uitgerokken en is hij niet meer zo stevig. Dergelijke vellen worden hier-
door vrijwel waardeloos. Een goede huid kan ook verknoeid worden tijdens het
bewerken natuurlijk, bvb. door een slecht mes te gebruiken of door een slechte
droging, waardoor er gaten en scheuren kunnen ontstaan in de vellen. Zelfs de
beste huiden moeten een gevaarlijk parcours afleggen voor ze kunnen gebruikt
worden om een boek te bekleden.
|